Stadse Moeders

Knippen

Als erbij ons thuis iets geknipt moet worden dan sta ik meteen te popelen. Knippen? Leuk! Ik ben er toe in staat om de schaar uit zoons handen te rukken zodat ík voor hem kan knippen. Doe ik niet, maar wil ik wel. Ik hou van knippen. Ik ben geen papierkunstenaar, ik heb geen bijzondere scharen, ik doe het bijna nooit, maar ik kan het best aardig. Dacht ik.

Er is één ding dat ik niet knip in ons huis. Haar. Ik heb vriendinnen die de haren van hun kinderen knippen. En dat dan nog goed doen ook. Met een rechte pony en mooi bol opgeknipt achterkantje. Ik vind dat stoer. Ik waag me er niet aan. Ik ben echt veel te bang dat ik het totaal verpest. En ik dacht dus, zolang ik geen hoofden knip kan het niet mis gaan. Maar zo simpel was het niet. 

Een jaar of wat geleden kocht ik een citroengeranium. Wij werden dikke vrienden, die geranium en ik. Hij vond het leuk in onze zonovergoten vensterbank en dat kon ik wel waarderen. De meeste planten sterven op onze vensterbank een frituurdood omdat de zon genadeloos bij ons naar binnen schijnt. Maar deze plant deed het goed. Als beloning kreeg hij een grotere pot en daar maakte hij ongegeneerd gebruik van. Door te groeien. Dat was eerst heel leuk. Daarna niet meer. De geranium werd een soort struik. Ik schoof hem steeds verder in de hoek, achter het gordijn. Hij ging lelijk doen. Bovenin maar doorgroeien en onderin de blaadjes dumpen. Het leek alsof hij een boom wilde worden. Ik vond dat stom.

En toen, afgelopen woensdagochtend, was ik het zat. Ik wilde een gezellige plant, bol als een kinder-achterhoofdje. Ik pakte de keukenschaar en knipte wat toppen van de plant af. En toen had ik een heel raar restje stammetjes over. Dus toen knipte ik resoluut door tot ik bijna bij de aarde kwam. Ik keek naar de pot en ik keek naar de stapel takken op de vensterbank. Ik voelde spijt en diepe schaamte. Alsof ik een vriend vermoord had. Is het normaal om schaamte en schuld te voelen als je naar een plánt kijkt?

Nu staat de pot met kortgeschoren geranium nog steeds achter het gordijn. Hij kijkt me, dwars door het gordijn heen, verwijtend aan. Ik vertel mezelf steeds dat het goed komt, dat al die nieuwe jonge blaadjes uit zullen groeien tot een blije volle bolle plant. Maar ondertussen voel ik me een amateur. Elke keer als ik iets in de vuilnisbak gooi dan kijken al die afgeknipte stengels me verwijtend aan. Ik ga zo maar eens de vuilniszak naar buiten brengen, lekker mijn schuldgevoel in de afvalcontainer gooien.