Stadse Moeders

Loslaten

Het is woensdagochtend en ik ben alleen. Ik ben niet aan het werk en ik ben ook niet met zoon aan het spelen. Hij speelt bij zijn beste vriend. En ik zit in een café aan de koffie. Meneer liet me onlangs weten dat hij zonder mij bij zijn vriend wilde spelen. Ja, dat werd inderdaad wel eens tijd. Ik laat hem al sinds hij drie maanden oud was minstens drie keer per week bij iemand achter hoor. Bij oma, bij papa, bij de opvang. Maar dit vond ik toch wel weer een mijlpaal. Zoon dacht er niks over. Die wilde gewoon gaan spelen zonder dat ik me er tegenaan bemoei. Heel goed.

Een kind krijgen is een les in loslaten. Dat weten alle ouders. Zodra je je kind op de wereld zet begint het, want die wurm zit niet meer in je buik, maar ligt in de handen van de verloskundige. Kort daarna geef je je kind hop, in handen van een kraamhulp of verpleegkundige. Ik weet nog als de dag van gisteren dat zoon zijn eerste schone luier moest. De verpleegkundige pakte hem van me aan en liep kordaat de kamer uit. Ik riep haar nog paniekerig na: ‘Ga je met hem weg?’ ‘Ja!’ Zei ze. En daar had ik het mee te doen.

Daarop volgden natuurlijk nog meer ‘vreemde’ handen die hem van me aanpakten. Die van de dames en heren van de opvang bijvoorbeeld. Vond ik niet allemaal meteen maar makkelijk. Heel niet makkelijk. Ik heb daar best wel eens een traan om gelaten. Sommige moeders vinden het heerlijk om hun baby een weekendje uit te besteden, en gelijk hebben ze. Maar bij mij voelde dat de eerste keren fysiek, alsof ik een deel van mezelf miste. Hak mijn been er maar af, maar breng nú mijn kind terug want ik wil hem vasthouden. Dat idee. Inmiddels ben ik daar wel overheen. Hij is 3, hij redt zich meestal wel.

Over bijna 9 maanden begint het volgende hoofdstuk in de lessen in loslaten. Dan gaat zoon naar de basisschool. Híj staat tegen die tijd vast te trappelen om te gaan. En ik ben het tegen die tijd waarschijnlijk met hem eens. Maar ik laat zonder twijfel weer wat tranen. Toen ik hem laatst vertelde dat hij samen met zijn beste vriend naar de basisschool mag als hij vier is, toen riep hij: ‘Maar dat vind ik spannend!’ Ik zei toen dat het nog heel lang duurt. En dat hij het spannend mág vinden. Ik slikte dapper een traan weg terwijl ik dacht: het is retespannend jongen, ik vind het ook eng! Man man man. Alle clichés zijn waar. Die van dat loslaten. En ook die van dat alles zo snel gaat. Ook die.