Stadse Moeders

Schrijfster

Mijn oudste van 10 is mijn grote voorbeeld. Mijn oudste is schrijfster. Soms vragen mensen haar wat ze later wil worden. Die vraag beantwoordt ze met een ferm: Ik BEN al schrijfster. Want, zo redeneert zij, ik schrijf verhalen. Dat ze (nog) niet zijn uitgegeven en dat (nog) niemand ze leest, staat daar los van.

Ik wil ook wel schrijfster zijn. Ik ben van beroep tekstschrijver en redacteur, dus ik schrijf regelmatig zakelijke teksten – en bloggen doe ik ook wel eens -, maar ik schrijf geen fictie. Ik bedenk vaak ideeën voor verhalen of romans en telkens denk ik: daar ga ik nog een keer iets mee doen. Maar dat doe ik nooit. Tot vorige maand.

Op de website Schrijven Online hadden we een verhalenwedstrijd gezien. Mijn oudste besloot om een verhaal in te sturen. Eén van de velen die ze al geschreven had. Ik besloot om er ook één in te sturen. Eén van de vele die ik alleen bedacht en nooit geschreven had. Ik heb het eindelijk een keer gedaan: een verhaal geschreven! Dat valt niet mee, zeg. Maar het is gelukt; ik heb 2 uur vóór de deadline een verhaal ingestuurd.

De winnaar van deze prijs krijgt 1000 euro. Na insturing begon mijn dochter uit te rekenen hoeveel boeken ze daarvoor kon kopen. (Best veel!) Ik deed mijn mond open om haar te waarschuwen over kansen en teleurstelling en blabla. En toen deed ik mijn mond weer dicht. Wat een verschrikkelijk fantasieloze gedachte. Natuurlijk kan het heel goed zijn dat ze niet wint. Dat weet ze zelf heus ook wel. Maar het kan toch helemaal geen kwaad om te hopen, wensen, dromen? Ze kan ook wél winnen. En ik ook. Wat zal ík straks doen met die 1000 euro?

Photo by Claudia on Unsplash