De vakantie zit er weer op. Niet voor mijn kinderen natuurlijk, die zijn nog wéken vrij, terwijl mijn man en ik weer moeten werken. Heel irritant, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Ik wil nog even fijn terugdenken aan de afgelopen twee weken in Tsjechië. Het was heerlijk. Beter dan ooit. Ik was zelf een stuk minder ambitieus over onze uitstapjes. We hebben zelfs een paar dagen helemaal niks gedaan (en dan bedoel ik: een hele dag op een schommelbank zitten lezen). Klinkt logisch op vakantie, maar dat is het voor mij absoluut niet. Heerlijk was het wel.

Wat ook meehelpt is dat mijn dochters steeds beter samen kunnen spelen. Ze schelen maar anderhalf jaar, dus dat sluit qua belevingswereld prima aan. Ze kunnen samen enorme fantasiewerelden bouwen en daar uren zoet mee zijn.

Totdat het gillend en schreeuwend, soms zelfs slaand, verschrikkelijk mis gaat. Dan is het vakantiehuisje ineens veel te klein. Direct is mijn relaxte schommelstoel-gevoel verdwenen en sta ik in de stress-stand. Ik probeer me er niet meteen mee te gaan bemoeien. Dat kost me veel moeite. Maar uiteindelijk is het toch handiger voor mijn dochters, ons gezin én de hele samenleving als ze leren om hun eigen problemen op te lossen. Ondertussen zit ik uiterst gespannen níet in te grijpen.

Tijdens een van de slaande ruzies moet ik terugdenken aan het moment dat we besloten om een tweede kind te willen. Onze oudste was toen 6 maanden. Ze sliep ’s nachts door, dronk altijd goed uit borst én fles, ze had de eerste hapjes achter de kiezen. We hebben het zwaarste gehad! Dachten we. Ach gossie. Goed, ik vroeg dus aan mijn man: “Wanneer doen we de volgende?” Waarop hij antwoordde: “Volgende?? Ben je nou helemaal? Eén kind is toch meer dan genoeg?” Waarop ik reageerde: “Geen tweede?? Ben je nou helemaal?” Waarop we het gesprek even lieten rusten. Waarschijnlijk omdat de baby huilde.

De volgende dag pakten we het weer op en ik kan me nog goed herinneren wat een van mijn argumenten was om een tweede te willen: Gezinnen met één kind zijn te harmonieus. Je hebt een beetje strijd nodig. De kinderen met elkaar, maar ook zij tegen ons. Dat is goed voor ze. Zei ik toen. Ja echt.

Be careful what you wish for, blijkt maar weer eens.

Ik begrijp het ook wel van mezelf, hoor. Ik ben zelf de jongste in een gezin met drie dochters, maar mijn twee zussen zijn een stuk ouder dan ik. In sommige opzichten ben ik als enigskind opgegroeid. En ik miste wel een broertje of zusje. Om mee te spelen. Ruzie tussen broers en zussen zag ik wel eens bij anderen thuis, maar ik heb me toch nooit echt gerealiseerd hoe dat eraan toe gaat. Tot nu.

En nu vind ik het verschrikkelijk. Wat ik niet had voorzien is hoe persoonlijk ik het allemaal op zou vatten. Alle herrie, alle onredelijkheid, het voelt als een frontale aanval. En ik wil alleen maar schreeuwen: HOU OP! (Want dat helpt…)

Dus zat ik deze vakantie regelmatig op onze schommelbank in Tsjechië manisich heen en weer te schommelen, mompelend “Laat het los, laat het gaan”. Want dat is het wondermiddel. Tegen alles. Dat weten alle ouders.

En dat brengt me op een van de grappige momenten van deze vakantie. We hadden mijn jongste al een tijdje niet meer gezien, dus ik vroeg aan mijn oudste: “Weet jij waar je zusje is?” Haar antwoord: “Die zit op de wc ‘Laat het los, laat het gaan’ te zingen.”

Alles bij elkaar een heerlijke vakantie!