Ik kijk naar zoon en zijn vrienden. Ze rennen rond in de speeltuin. Ze zijn druk en vrolijk en groot. Heel groot. Ze stappen met kleren en schoenen aan in de sloot en ik heb plezier om hun lol en maak me geen moment zorgen over nat en koud of verdrinken. Zo groot zijn ze. En opeens bedenk ik me wat ze niet meer zijn: Schattig. Ze zijn niet meer schattig.

Het zijn van die grote kinderen die alleen nog maar schattig zijn als ze slapen. Ze worden slimmer en brutaler en blijven op hun eigen manier net zo irritant als ze al waren. Want dat verandert dan weer niet. Ze kunnen steeds meer zelf en daar zijn ze trots op, maar als het even kan dan laten ze zich nog zo veel mogelijk bedienen. Want daar heb je immers ouders voor.

Vertederend. Dat zijn ze af en toe nog wel. Als jonge katjes met te grote poten rennen ze rond met hun steeds slungeligere benen. Met voeten in schoenmaat 36. Met grote praatjes tijdens kinderspel. En toch af en toe toch nog met dikke tranen naar je toe rennen als ze zich pijn doen. Maar dan niet op schoot (dat past ook niet meer) of een kus d’r op. Misschien een slokje water en dan snel weer doorspelen. Alsof er niks gebeurd is.

Maar in ruil voor schattig krijg je er wel wat leuks voor terug. Redelijkheid en humor. Met een groter kind kun je in alle redelijkheid iets bespreken. En dat is zo ontzettend hándig! Daar heb je geen sociale hygiene diploma meer voor nodig. Die redelijkheid verdwijnt over een paar jaar vast als sneeuw voor de zon, maar daar denken we gewoon nog even niet aan.

En als je mazzel hebt dan heeft je kind ook nog goede humor. Dan lach je dus niet meer omdat ze schattig zijn, maar omdat ze zo gevat uit de hoek kunnen komen. Dan heb je dus een redelijk mens met goede humor op de wereld gezet. En daar mag je dan heel trots op zijn.